Welzalig

 

Het is herfst in Veenendaal. Het fietspad waarop ik me begeef is bezaaid met afgewaaide takken. De wind rukt aan de bomen die aan de slootkant staan en dat veroorzaakt een hevig geraas. Ik ben danig onder de indruk van die bomen ‘geplant aan waterstromen’. Nu kan je de slootjes in Veenendaal West geen ‘waterstromen’ noemen, maar in mijn hoofd is de link met Psalm 1 gelegd. Dat gebeurt soms zomaar.

‘Welzalig de man die niet wandelt in de raad der goddelozen…,’ zing ik zachtjes. En dan val ik stil, want ik moet even nadenken over die ‘raad der goddelozen’. Hoe ziet zo’n raad der goddelozen eruit? En wandel ik er weleens in? Goddelozen, zijn dat ongelovigen? Andersgelovigen?

‘… die niet staat op de weg der zondaars …’ Dat vind ik alweer wat concreter. Ik voel meestal vrij goed wanneer iets maakt dat ik niet tot mijn doel kom. Zonde! Volgens de psalmdichter kan ik die weg der zondaars beter niet inslaan. Helder.

‘… noch zit in de kring der spotters …’ Daar kan ik ook wel wat mee. Het zal gaan over spotten met God en kwaadspreken over mensen. Ik wil niet zitten in de kring der respectloze spotters, maar zuiver en oprecht zijn.

‘… maar aan des Heren wet zijn welgevallen heeft …’ Snap ik ook. Ik geloof dat God het beste met mensen voor heeft en dat zijn wet een wegwijzer is voor een welzalig leven. Daar heb ik mijn welgevallen aan.

Met ‘… en diens wet overpeinst bij dag en bij nacht …’ ben ik een beetje verlegen. Want als ik zeg dat ik Gods wet bij dag en nacht overpeins, dan jok ik. En jokken is in strijd met het negende gebod. Dilemma.

‘… want hij is als een boom geplant aan waterstromen …’ Dat gaat niet over een eik aan een slootje in ‘t Veen. De dichter van deze psalm had misschien een vijgenboom voor ogen, of iets dergelijks. Stabiel.
Indrukwekkend.

Het is een boom ‘die zijn vrucht geeft op tijd’. Dat vind ik mooi. Daar zit iets betrouwbaars in. Iets dat voedt. Leven geeft. Je kunt ervan op aan.

‘… welks loof niet verwelkt …’ Een boom die het hele jaar door fris groen in het blad zit. Vol leven.

Bij ‘… alles gelukt …’ is de dichter mij weer even kwijt. Ik doe best veel, maar dat mijn goedbedoelde ondernemingen altijd gelukken? Nou, nee. Veel breekt me bij m’n vingers af. Dat geeft niet, want dat hoort bij het leven. Maar dat een gelovige alles zou gelukken, is een droom. Dat zal de dichter zelf ook ervaren hebben.

Toch voel ik me regelmatig een heel welzalig mens. Waar ‘m dat in zit?
Ik denk in de wetenschap dat God altijd dichtbij wil zijn. Ook als ik niet stevig sta als een boom, maar ril als een rietje. Ook als er van alles mislukt.

Welzalig de man (m/v) die wandelt met God. Onder alle omstandigheden.

 

Verschenen als column: http://www.bethelkerk.nl/nieuws/welzalig

Foto: pixabay

Lampegietersavond

‘Oh, heerlijk! Het is bijna Lampegiet!’ verkneukel ik me als we op kantoor aan de koffie zitten. De collega die deze zomer van Amsterdam naar Veenendaal verhuisde, kijkt me vragend aan: ‘Lampegiet?’ ‘Ja! Lampegiet,’ roep ik enthousiast.

Of ze wil of niet, ik besluit haar grondig in te wijden in dit geweldige stukje Veens cultureel erfgoed. Ik ben in m’n element. ‘Ken je Sint Maarten?’ vraag ik. ‘Daar lijkt het een beetje op. Lampegiet stamt uit de periode waarin het heel vroeger in de oude sigarenfabrieken te donker werd om zonder kunstlicht te kunnen werken. Een periode waarin ook de straatlantaarns weer werden aangestoken. Het is eigenlijk een soort feest van het licht. En dat vieren we met optochten en verklede kinderen op de maandagavond die het dichtst bij 17 september ligt.’

Ik vertel over papieren lampionnetjes en over waxinelichtjes die op den duur wegens brandgevaar werden vervangen door elektrische lampjes. Het water loopt me in de mond als ik uitleg dat geen Lampegiet compleet is zonder kaneelbeschuitjes en warme chocolademelk. Ietwat aarzelend neurie ik het liedje dat ik vroeger luidkeels mee blèrde: ‘Tis van d’n aovond Lampelietjiesavond! Falderareriere, falderalderaore…’

De herinnering aan de keren dat de vaders uit onze straat een aanhangwagen versierden, waar wij als verklede buurkinderen op mochten zitten, vertedert me. Bij Lampegiet hoort ook vuurwerk. Geen harde knallen, maar sissers. Na afloop fikkie stoken achter de schuur, dat was toch wel een hoogtepunt. Bij Lampegiet hoort ook muziek. Zonder muziek geen volksfeest. De Scheepjeswolharmonie en Caecilia bezorgen mij met Lampegiet nog altijd een verrukkelijk soort kippenvel.

Natuurlijk waren er ook Lampegietersavonden die volledig in het water vielen. Letterlijk. Avonden waarop mijn hoedje van crêpepapier onuitwisbare  herinneringen creëerde in mijn verkleedkleren. Avonden waarop grote jongens rellen schopten waar de politie aan te pas moest komen.

Maar daardoor laat ik me het geluksgevoel dat bij Lampegiet hoort niet afnemen. Geluk dat ik graag deel. Ik gun het iedereen. Ook mijn collega uit Amsterdam. Ik hoop dat het me lukte om iets van mijn enthousiasme over te brengen. Ik denk het eigenlijk wel.

Nog maar een paar nachtjes slapen…!

Kriegel

 

(Verschenen als Commentaar in maandblad Reveil, sept. 2017 www.maandbladreveil.nl)

Integral Mission. Die term hoor ik veel in het land van christelijke hulpverlening. Bij Integral Mission vloeien helpen en evangeliseren in elkaar over. En ik word daar kriegel van. Net als van de term ‘vriendschapsevangelisatie’. Brrr…

Integral Mission klinkt als een dubbele agenda. Vooral als je het bekijkt vanuit de kant van de hulpverlening. Zuiver helpen doe je vanuit een rechtvaardigheidsgevoel, gedreven door liefde. Belangeloos. Je helpt niet met het doel om de ander te bekeren.

Wie hulp nodig heeft, is afhankelijk en in afhankelijkheidsrelaties worden keuzes gekleurd. Wie z’n hand moet ophouden, is geneigd zijn gever te behagen. Toch? Op een lege maag maak ik andere keuzes dan wanneer ik verzadigd ben.

Misschien heb ik het wel helemaal verkeerd begrepen, hoor. Ik laat me graag bijpraten door mensen met verstand van zaken. Tot die tijd blijf ik bij mijn standpunt: liefdevol en praktisch helpen, zonder bijbedoelingen, is op zichzelf iets Goddelijks. Daar hoeven we verder geen woorden aan vuil te maken.

Een groot percentage van de communicatie tussen mensen verloopt non-verbaal. Ik geloof in God én in de non-verbale kracht van liefdevol helpen. Steek je handen maar uit de mouwen. Onvoorwaardelijk en ontspannen. Prachtig als God daardoor harten raakt. Maar dat is niet de opzet.

Franciscus van Assisi zei: ‘Verkondig het evangelie, desnoods met woorden.’ En dat vind ik mooi. Geen woorden, maar daden. Ik geloof in helpen zonder dubbele agenda. Dat maakt ons helpen waardevol en is wel zo integer.

Hyena’s

Ik ben op de fiets onderweg van m’n werk naar huis. Ik ga als de brandweer, want ik ben pissig. Dan ga ik altijd heel hard fietsen. Tijdens mijn lunchpauze las ik het bericht over de negen Veense jongens die vorig jaar twee broers uit Lunteren genadeloos in elkaar sloegen. De slachtoffers hebben er nog veel last van. Lichamelijk letsel geneest blijkbaar sneller dan schade die je oploopt aan je ziel. Het houdt me behoorlijk bezig.

Ik verplaats me in de moeder van de slachtoffers die in de krant leest dat het groepje Veenendaalers als hyena’s om haar jongens cirkelden. Ik verplaats me ook in de moeders van de daders. Vrouwen die vandaag of morgen naar Albert Heijn moeten voor hun boodschappen en die nu vrezen te worden herkend als ‘de moeder van …’. Moeders die zich de afgelopen weken koortsachtig afvroegen waar het toch mis ging. En ik voel oprecht met ze mee.

Stel dat mijn zoon een slachtoffer was…? Stel dat mijn zoon een dader was…?

‘Wat verandert een jongen van rond de twintig in een roofdier?’, vraag ik me af. Is dit soort agressie in ieder mens in potentie aanwezig? Ook in mij? Agressie die vanzelf ongecontroleerd naar buiten komt als de situatie daarvoor ideaal is?

De vragen tuimelen door mijn hoofd. Het kost me moeite om me te concentreren op het fietspad dat ik met velen deel. Voor mij slingeren drie meiden. Ik schat ze een jaar of zestien. Ze giechelen en delen samen een zakje chips.

Als het zakje leeg is, laat een van de meiden het zakje op de grond vallen. Vrij bewust, zo lijkt. Heel jammer voor dit meisje dat ik al een beetje pissig was. Haar gedrag maakt me nog bozer, omdat mijn brein een link legt tussen het zomaar van je af flikkeren van een leeg chips zakje en de hyena’s. Vandaag geen respect voor de natuur, morgen geen respect voor je medemens. Misschien overdrijf ik, maar als ik boos ben, ben ik niet helemaal voor rede vatbaar.

De meisjes moeten stoppen voor het stoplicht. Ik raap het zakje op en spreek de meisjes aan: ‘Hoi. Jullie zijn net je zakje verloren. Alsjeblieft.’ Ik voel me echt een zeikwijf. Een regelrechte bitch. En dat is waarschijnlijk precies wat die meisjes op dat moment over mij denken. Het kan me niet schelen. ‘Oh, sorry!’ jokken ze in koor.

Gelukkig geven ze geen grote bek, want wat er dán was gebeurd… Grrr… Blijf maar een beetje uit m’n buurt.

Agressie.

Yep. Het zit ook in mij.

Wat er bij mij voor nodig is om de stoppen door te laten slaan…? Volledig…? Nee, niet een chipszakje dat op de grond wordt gegooid. Wat dan wel? Ik hoop er nooit achter te komen.

 

Stadsstrand

 

Dat stadsstrand van ons, hè? Wat is dat toch een geweldige plek. Het afgelopen weekend bracht ik er menig uurtje door.

Ik ontmoette er oude vrienden en nieuwe gelijkgestemden. Ik baadde pootje met ouderen, deed blootsvoets aan tai chi, at chips tijdens de buitenfilm en ik picknickte er multiculti. Het ging er allemaal heel saamhorig aan toe.

Hoe het stadsstrand ooit ontstond, weet ik eigenlijk niet precies. Ik begrijp dat het voortkwam uit een initiatief van een handjevol creatieve Veenendalers die geloven in verbinding. Mooi! Zulke breedgedragen initiatieven van burgers zijn goud waard.

Maar het stadsstrand kan in z’n huidige vorm niet op z’n huidige plek blijven, hoorde ik. Nu de economie aantrekt, kan het stuk grond de gemeente bij verkoop veel geld opleveren. Waar dat geld vervolgens voor gebruikt zal worden, weet ik niet.

De belangen van gemeente en burgers lopen blijkbaar behoorlijk uiteen. Iedereen heeft wel een meer of minder uitgesproken mening. Slechts enkelen hebben visie en verstand van zaken.

Misschien moet ik, één van de burgers die het stadsstrand in alle eenvoud zijn gaan waarderen, accepteren dat het stadsstrand gaat verdwijnen. Dat het mooi was, prachtig zelfs, zolang het duurde, maar dat ons stadsstrand binnenkort verandert in een bouwput.

Maar jongens toch… Wat zou dát zonde zijn!

Natuurlijk kunnen we op een andere plek in Veenendaal een paar kuub zand storten en wat graszoden uitrollen, maar of we daarmee ook de wortels en de ziel van ons stadsstrand verhuizen…?

Afijn. Ik ben echt heel benieuwd hoe dit verder gaat. Voor politiek heb ik weinig geduld en interesse, dus ik volg het verloop van gepaste afstand. Ik vertrouw erop dat we samen de waarde inzien van wat niet voor geld te koop is. Dat er constructief overleg komt tussen burgers en gemeente.

Want ik wil geloven dat het goed komt. Hoe dan ook, waar dan ook, wanneer dan ook.

Als je me zoekt: ik ben op het stadsstrand.

Ik zie je daar.

 

Foto: https://www.facebook.com/Landjepik/