Flevo vrijwilliger

Vanmverkeersbordiddag fietste ik in het dorp bijna een mevrouw van haar sokken. Spannend momentje. Het ging net goed. In het centrum van Veenendaal hebben voetgangers voorrang. Je mag er wel fietsen, als je maar geen voetgangers aanrijdt. Duidelijk. De meeste voetgangers kijken eventjes naar links en rechts voordat ze oversteken. Eigenlijk hoeft dat niet, want ze hebben voorrang, maar ze doen het wel. Anticiperen. Zo niet de mevrouw die vanmiddag bijna in mijn fietsmand belandde. In de verte zag ik haar midden op de weg lopen. Terwijl ik de mevrouw naderde, gaf ik haar gelegenheid om aan te geven welke kant ze op wilde. Ze reageerde daar niet op. Ik besloot dat ik haar het beste links kon passeren, maar toen koos zij plots precies diezelfde kant. Ze leek haast bewust voor mijn fiets te springen. Ik week uit en toen ik haar passeerde, hoorde ik haar zeggen: ‘Ja, maar ík heb het recht om hier te lopen!’ Iets in die trant. Toen begreep ik opeens haar keuze om een bijna-botsing uit te lokken. Tenminste, ik dénk dat ik heb begrijp. Er zijn mensen die zóveel waarde hechten aan hun rechten, dat ze er eventueel een confrontatie voor overhebben om duidelijk te maken dat ze in hun recht staan. Ik zou het niet een sterk rechtvaardigheidsgevoel willen noemen, want iemand met een sterk rechtvaardigheidsgevoel heeft ook moeite met het onrecht dat ánderen wordt aangedaan. Deze mevrouw leek vooral moeite te ervaren omdat zij zélf tekort werd gedaan, in haar beleving.
De mevrouw deed mij denken aan wat ik noem ‘de Flevo vrijwilliger’. Ik leg het uit. Toen ik begin twintig was, ging ik regelmatig naar het Flevo festival. Een soort Pinkpop voor christenen. Dat festival kon niet draaien zonder vrijwilligers. Heel veel onbetaalde krachten werden ingeschakeld om alles in goede banen te leiden. Dat werkte prima. Er was een categorie vrijwilligers die een knalgeel hesje aankreeg met de simpele opdracht: ‘Ga bij dat hek staan en zorg dat niemand je passeert.’ Gewapend met een portofoon kweten zij zich feilloos van hun taak. Niet te vermurwen. Eens wilde ik zo’n man-met-hesje passeren, omdat ik naar mijn tentje moest dat tien meter verderop stond. ‘U mag er niet langs’, sprak de Flevo vrijwilliger. ‘Ja maar, ik wil even wat uit mijn tentje pakken, dat tentje pal achter u,’ wees ik. Ik zei bewust ‘u’, want tegen deze man moest ik niet te familiair doen, voelde ik. ‘Nee, dat mag niet. Je moet omlopen’, herhaalde hij. Ik zuchtte. Terwijl ik mijn tentje door de tralies van het hek bijna kon aanraken, moest ik een kilometer omlopen om even mijn portemonnee uit mijn tent te pakken. Ik was moe van twee nachten doorhalen en kon wel janken van nijd. De man pakte zijn portofoon. ‘Willem, er is hier iemand die er langs wil. Mag dat? Over.’ –geruis op de lijn- ‘Nee Joop, je kent de regels. Dat mag niet. Over en uit.’ Willem had gesproken. Het festival was bijna afgelopen en het hele terrein liep leeg, maar ik moest omlopen. Waarom? Om daarom. De man droeg een hesje en een portofoon. Dat gaf hem niet alleen status, maar ook de autoriteit om mij de snelle, makkelijke toegang tot het terrein te ontzeggen. Onzinnig en mateloos irritant.
Regels op festivals zijn nodig. Net als de voorrangsregels in het dorp. Maar regels zijn er om het leven makkelijker te maken. Te stroomlijnen. Niet om confrontaties in de hand te werken. Ik hou van mensen die een beetje flexibel zijn. Als we allemaal net zo enthousiast opkomen voor de rechten van een ander, als voor die van onszelf, wordt de samenleving een stuk relaxter. Zeker weten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *