Maria, mijn buurvrouw

huis maria

Het is zaterdag. Samen met mijn man en kinderen heb ik de avond doorgebracht op de bank. We keken tv, aten chips en nu is het tijd om naar bed te gaan. Ik trek mijn nachthemd aan en kruip tevreden onder de wol.
Als ik wakker word, ben ik even bang dat ik droom. Naast mij ligt nog steeds mijn man, maar op zijn kin die gisteren nog gladgeschoren was, prijkt nu een indrukwekkende baard. Ik stap mijn bed uit en voel niet de vertrouwde vloerbedekking onder mijn voeten, maar een ruw kleed, gemaakt van iets als jute. Ik trek mijn sandalen aan en loop het slaapvertrek uit. De ruimte waar ik in terecht kom, is zo’n tien vierkante meter groot. De muren zijn van klei en door een kier in het rieten dak piept een zonnestraal. In een hoek van de kamer is een soort vuurplaatsje waar een pot boven hangt. Ik moet in een historisch museum zijn terechtgekomen. Het is allemaal heel echt. Mijn kinderen lijken niets te merken van mijn verwarring. Ze spelen achter het huisje onder een boom een eerste-eeuwse versie van Minecraft. Met een grote stapel blokjes die ze van de buurman hebben gekregen, bouwen ze hun eigen driedimensionale wereldje.
In de tuin van de buren staat een kleine overkapping. De buurman is daar aan het werk. Hij timmert en lustig op los. Ik hoor de buurvrouw roepen: ‘Jozef, ik ga dadels halen! Let jij even op de kleine?’ Met ‘de kleine’ doelt ze op het kind dat in het zand met wat steentjes speelt. Als het jongetje mij opmerkt, kijkt hij me aan. Zijn ogen zijn de vriendelijkste waar ik ooit in gekeken heb. Mijn hart gloeit ervan.
Als de buurvrouw terugkomt met haar dadels, ziet ze me voor mijn huisje zitten. Ik ben nog steeds in de ban van haar kind. ‘Ook goeiemorgen!’, roept ze. ‘Lekker weer vandaag. Ga je straks mee naar de bron? Ik moet nog water halen.’ Ik knik, maar heb geen idee wie deze vrouw is. Ze vervolgt: ‘Jozef kijkt vanmiddag even naar jullie klemmende deur, hoor. Dat heeft hij beloofd. Hij is zo druk, joh!’
Ik heb een reis gemaakt door de tijd en ben terecht gekomen ergens aan het begin van onze jaartelling in een dorp in Israël. Omdat ik geen paniek bemerk bij mijn man en kinderen om deze vreemde situatie, leg ik me er ook bij neer.
Ik wen vrij snel aan het leven in het dorp dat Nazareth heet. We moeten best hard werken, maar het leven is goed te overzien. Daar hou ik van. De kinderen groeien op en ook mijn kleine buurjongetje is al snel een volwassen man. Ik heb hem al een poosje niet meer gezien. Hij schijnt met een groep vrienden rond te trekken in de buurt van Jeruzalem.
Maria maakt zich zorgen over hem. Ik zie het aan haar gezicht. Het is heel lang geleden dat een engel tegen haar zei dat ze een bijzonder kind zou krijgen. Die woorden bewaarde Maria in haar hart. Ze is benieuwd hoe dat bijzondere zich zal uiten. Ze houdt van haar zoon. Hij wil het beste voor de mensen, maar lang niet iedereen begrijpt hem. Hij zegt ook van die vreemde dingen… ‘Ik ben het brood des levens. Wie van mij eet, zal nooit meer honger hebben.’ Dat is toch raar?
Wat ik zelf van mijn buurjongen vind? Ik weet het niet. Hoe hij mij aankeek bij onze eerste ontmoeting, zal ik nooit vergeten. Hij is de goedheid zelve en dat raakt me. Dat hij zich ‘de zoon van God’ noemt, vind ik een beetje gek. Over God weet ik alleen wat er in de boeken van Mozes staat. En de profeet Jesaja had het over de Messias die komen zou, maar de profeet zal toch niet mijn buurjongen hebben bedoeld? Ik weet het niet, hoor.
Dan, op een dag, gebeurt er iets vreselijks. De zoon van Jozef en Maria wordt vermoord. Op een gruwelijke manier. Ver van ons dorp Nazareth, waar hij opgroeide. De overpriesters in Jeruzalem krijgen het een beetje benauwd omdat de zoon van Maria zoveel aanhangers heeft. Zij voelen zich bedreigd en noemen hem een onruststoker. Prefect Pontius ziet niet veel kwaad in hem, maar omdat hij de overpriesters graag te vriend houdt, laat hij hem doden.
Die avond kom ik Maria tegen. Wat ik ineens in Jeruzalem doe, weet ik niet, maar in een droom kan blijkbaar alles. Maria zit apathisch op een bankje en is ontroostbaar. Toen de engel haar vertelde over haar bijzondere kind, was dít bepaald niet wat ze in gedachten had. Ze snapt er niks meer van.
‘Geloof jij dat hij de zoon van God is?’, vraagt ze aan mij als ik naast haar ga zitten. Ik zwijg en staar naar mijn stoffige sandalen. ‘Ik weet het niet, Maria… Echt niet… Maar Jezus was een goed mens. Dit had nooit mogen gebeuren!’ Er loopt een koude rilling over mijn rug. Als je toch als moeder moet toekijken hoe jouw kind aan een houten paal wordt gespijkerd… Hartverscheurend. Ik kan me onmogelijk voorstellen hoe Maria zich voelt. In de verte zie ik de vrienden van haar zoon aankomen. Zij komen vast om Maria te troosten. Om samen na te praten over de verschrikkelijke gebeurtenissen van de afgelopen dagen. ‘Sterkte, Maria,’ fluister ik. En dan laat ik haar alleen.
Ik word wakker uit een hele diepe slaap als ik muziek hoor. Het blijkt mijn wekker te zijn. Ik realiseer me dat ik terug ben waar ik hoor. In mijn eigen bed, in mijn eigen tijd. Mijn hoofd bonkt. Een beetje suf zet ik mijn voeten op de zachte vloerbedekking. Op de rand van mijn bed probeer ik me mijn droom te herinneren.
Met de kennis van vandaag, weet ik dat het verhaal – God zij dank!- goed afliep. Het wordt Pasen. Jezus werd vermoord en begraven, maar Hij stond op uit de dood en is al zo’n 2000 jaar springlevend voor de degenen die in Hem geloven.
Had ik nog maar even naast Maria op dat bankje kunnen zitten. Dan zouden we samen praten over de diepste betekenis van wat er die week in en om Jeruzalem gebeurde. Dan zou ik tegen haar zeggen: ‘Nu geloof ik dat Jezus de zoon van God is, Maria. De engel had gelijk. Jouw zoon is heel bijzonder.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *