Maandelijks archief: oktober 2017

Beeldenstorm

Ik woon in Veenendaal en ik heb iets met God. ‘Daar zijn er meer van,’ hoor ik je denken en dat klopt. Voor christenen die zich graag omgeven met gelijkgestemden, is Veenendaal geen gekke plek. We hebben hier kerken en christelijke verenigingen, zangkoren en scholen. Je kunt hier je leven heel christelijk inrichten. Wees welkom.

Hoewel ik van Veenendaal hou, zit dat orthodoxe imago mij regelmatig in de weg. Ik heb veel mensen om me heen die niet geloven en het gros koestert een diepgewortelde aversie tegen de kerk. Ik snap dat wel. Veel gelovigen gaan met twee Bijbels als oogkleppen door het leven.

Waar mensen vormgeven aan hun geloof, ontstaan beelden. Veenendaal kent niet alleen zichtbare beelden, zoals bijvoorbeeld zwarte kousen, maar ook abstracte beelden die we rond geloven hebben opgetuigd. Godsbeelden. Een beeld van een God die boos wordt als je op zondag een ijsje koopt of verkoopt. Beelden in de vorm van principes en tradities. Beelden die Gods liefde vertekenen. Zonde.

Voordat je in Veenendaal iemand iets kunt vertellen over de inhoud van het christelijk geloof, ben je een hele poos bezig om beelden af te breken.

Soms heb ik zin om met een botte bijl al die beelden die wij rond God creëerden kort en klein te slaan. Als al die beelden zijn vergruisd en het stof trekt op, heeft God de ruimte om zich te laten zien zoals Hij echt is. Aan wie wil. Benieuwd wat er dan gebeurt. Ik roep op tot een nieuwe beeldenstorm.

Zoek een slaghout en doe mee!

 

 

Verschenen als commentaar in maandblad Reveil, oktober 2017

Dit schilderij van Dirck van Delen ‘Beeldenstorm in een kerk’ (1630) is te bewonderen in het Rijksmuseum. Gewoon een keer gaan kijken. https://www.rijksmuseum.nl/en/collection/SK-A-4992

Grensrechter

Onze jongste zit op voetbal. Ze is keepster van haar DOVO-team en dat doet ze heel verdienstelijk. Voetballen is helemaal haar ding! Maar… niet het mijne. En ook niet dat van haar vader. En dat is weleens lastig.

Ik vind voetbalwedstrijden lang duren. Ik krijg pijn in mijn rug van dat hangen langs de lijn. Als het team van mijn dochter verliest, vind ik dat zielig. Als haar team wint, heb ik medelijden met de tegenpartij. Ik ben totaal niet competitief.

Ik vind het ook heel onoverzichtelijk, zo’n wedstrijd. Wat mij betreft zien alle meisjes van elf er van een afstandje hetzelfde uit. Zelfde voetbalpakje, zelfde blonde staartje, zelfde houding… Ik ben gestopt met aanmoedigen, want ik roep altijd de verkeerde naam, tot ergernis van ons keepertje.  Ik snap niks van de spelregels en terminologie. Counter en corner, linksbuiten en rechtsonder, hattrick en hoekschop… Gooi maar in m’n pet.

Elke wedstrijd is er een ouder nodig voor een klus die je ‘vlaggen’ noemt. Wie ‘vlagt’ is het hulpje van de scheidsrechter, zeg maar. ‘Vlaggen’ is vakjargon voor langs de lijn rennen en erop toezien dat de mij onbekende spelregels worden nageleefd. Zoiets.

Omdat het vorig seizoen altijd dezelfden waren die vlagden, is er voor dit seizoen een vlagrooster opgesteld. Wel zo eerlijk. Iedereen komt een keer aan de beurt. Ook ik. En je voelt ‘m al aankomen, dat wordt niks. Ik weet amper het verschil tussen links en rechts, laat staan dat mijn hersenen op tijd registreren wanneer iets binnen- of buitenspel is en daar dan ook nog eens juist op acteren.

Vorige week werd ik gevraagd om regelmatig een zaterdagochtend als verkoper in de DOVO Fanshop te staan. Een klus die beduidend tijdrovender is dan eens in de vijftien weken vlaggen, maar over werken in de Fanshop was ik direct enthousiast. Zo slecht als dat vlaggen aansluit op mijn competenties, zo prettig denk ik me te voelen als vrijwilliger in de Fanshop.

Er is geen vereniging die zonder vrijwilligers kan. Samen maken of breken we een club. Dat begrijp ik heel goed. Het is de kunst om mensen in te zetten op een plek waar zij het beste tot hun recht komen. Zet vrijwilligers in hun kracht, en je hebt er als club heel lang plezier van.

Afijn. Voor komende zaterdag sta ik op het vlagrooster. Vandaag bedacht ik dat ik misschien mijn neefje van 17 kan vragen om voor mij te vlaggen. Tegen betaling. Niet mokken, lekker dokken.

Lukt het me niet om iemand anders voor mijn karretje te spannen, dan moet je a.s. zaterdag om 9.45 uur écht naar de wedstrijd DOVO MO13-1 tegen Hooglanderveen MO13-2 komen kijken. Dovo veld 6. Kan je lachen…

*zucht*

 

Broederliefde

Ik fiets in de ochtendspits over de Kerkewijk. Het is daar druk, zoals gewoonlijk rond dit tijdstip. Wat mij betreft een heerlijk soort drukte. Fietsers zijn op weg naar school, automobilisten gaan naar kantoor. Ik zie een verlate krantenjongen en een vrouw die ramen zeemt. In de verte staat tegen een kerk een steiger opgesteld met daarbovenop twee mannen in werkkleren.

Wat de mannen op de steiger ook gaan doen, ze zijn er nog niet mee begonnen. De kerels zijn druk in gesprek en aan hun lichaamshouding zie ik dat het geen werkoverleg is. Ze bespreken iets belangrijkers dan schuurpapier en verf.

Deze mannen praten over iets wat ze raakt. Ruzie met de vrouw of problemen met de kinderen. Zoiets. Misschien treurt een van beiden om een overleden vriend. Er zijn zo van die dingen in het leven die een man uit balans kunnen brengen. En als je uit balans bent, heb je houvast nodig. Helemaal als je hoog op een steiger staat.

Net voordat ik hun steiger passeer, zie ik hoe de mannen elkaar een stevige knuffel geven. Niet even snel een kameraadschappelijke stomp op de schouder, maar een warme omhelzing die een paar lange seconden aanhoudt. Het is van een vertederende onhandigheid. Aandoenlijk ongemakkelijk. Hun broederliefde brengt ook mij even uit balans. Op een goeie manier. Ik word er vrolijk van. Twee nuchtere, Veense kerels die elkaar omarmen op een steiger aan de Kerkewijk, dat verwacht je niet. En onverwachte gebeurtenissen blijven in mijn hoofd graag een poosje hangen.

Vrouwen zijn van nature lichamelijker dan mannen. Ik knuffel mijn man en kinderen graag en veel. Mijn vriendinnen pak ik regelmatig even stevig vast. Geen vrouw die zonder vriendinnen floreert. Geen vent die zonder vrienden kan.

Kom op, mannen. Neem een voorbeeld aan deze kerels op die steiger bij de kerk. Jullie zijn niet van beton. Als je hoofd of hart er aanleiding toe geeft, mogen jullie elkaar echt wel even stevig vastpakken. Ben je verdrietig of bang, gewoon even huggen. Geen probleem. Laat je maar raken. Zo worden vriendschappen opgebouwd.

Broederliefde op de Kerkewijk. Prachtig.

‘Hé poes’

Gisteravond fietste ik na een vergadering naar huis. In een grasstrook langs de weg scharrelde een egeltje. Heel schattig. Enthousiast en iets harder dan bedoeld, riep ik: ‘Hé egel!’ Een mevrouw die aan de overkant haar hondje uitliet, schrok ervan.

Ik weet van mezelf dat ik merkwaardige trekjes heb. Daar zou ik me voor kunnen schamen, zoals mijn kinderen vaak doen, maar daar kies ik niet voor. Het leven heeft me geleerd om ook mijn rare kanten te omarmen. Neem nou het reflexmatig groeten van dieren die ik tegenkom.

Ik zie niet zo vaak egeltjes lopen, maar des te vaker kruist een poes mijn pad. ‘Hé poes,’ roep ik dan. Ik doe dat al zo lang ik me kan herinneren. Ik fiets veel en altijd als ik een poes passeer, zeg ik: ‘Hé poes.’

Ik denk inmiddels dat onze buurpoezen een groet van mij verwachten als ik langskom. ‘Kijk, daar heb je dat mens van nummer 25 weer. Die zegt altijd zo vriendelijk gedag.’ De poezen verblikken of verblozen niet bij mijn groet, maar ik ga er vanuit dat ze het waarderen.

Dieren die ik ook nog weleens wil begroeten, naast egeltjes en poezen, zijn vogels. Soms roep ik: ‘Hé mus’, ‘Hé merel’ of ‘Hé eend! Aan de kant, of ik fiets over je heen.’ – Dat laatste is dus een keer echt gebeurd, maar daar wijd ik nu liever niet over uit. Misschien later. –

Afijn, ieder mens heeft zo zijn eigenaardigheden. Ik doe er niemand kwaad mee, dus ik laat het maar zo. Toch hoop ik altijd dat ik dit soort onzinnige trekjes niet overdraag op mijn kinderen.

Maar helaas. Die hoop bleek wat dit betreft ijdel.

Laatst fietste ik met mijn oudste dochter door West. Zij reed een klein stukje voor mij en was in haar eigen pubergedachten verzonken. Toen ze een poes passeerde hoorde ik haar mompelen: ‘Hé poes…’

‘Nou jaaa!’ riep ik, heen er weer geslingerd tussen verwarring en herkenning. ‘Doe jij dat ook?’

‘Wat?’ vroeg ze een beetje geschrokken.

‘Nou, poezen groeten!’

‘Ja, natuurlijk’, zei ze haast geërgerd. ‘Je fietst toch niet een poes voorbij zonder gedag te zeggen? Dûh…’

Ik snap je, kind. En ik kan onmogelijk duidelijk maken hoe trots ik op je ben. Jouw logica, is de mijne. Mijn normen, zijn de jouwen. Dat jouw jonge leven zolang het duurt net zo ongecompliceerd en vrolijk mag zijn als het mijne.

Ik en mijn dochter, wij groeten poezen. En daar schamen we ons geen moment voor. Liever een beetje vreemd, dan onbeleefd tegen de buurpoes.

‘Hé poes!’

Probeer het es. Het draagt bij aan de cohesie in de wijk. Echt.

Als ik kon toveren…

Het is zondagmiddag en ik ga naar JE Theetafel om daar te helpen tijdens de eerste ‘ontmoeting op zondag’ georganiseerd door Stichting Goed voor Elkaar in Veenendaal, bedoeld voor mensen die zich eenzaam voelen.

Buiten is het koud, maar binnen brandt de kachel. De geur van koffie en cake bepaalt de sfeer: huislijk en gezellig. Ik hang m’n jas op en neem plaats aan een tafel in de hoek. Mijn tafelgenoten zijn stuk voor stuk een aantal decennia ouder dan ik. Een interessant gezelschap, dat voel ik direct.

Als de koffie op is, krijg ik als tafeldame een stapel kaartjes met gespreksvragen aangereikt. Niet dat het gesprek aan onze tafel ook maar één tel is stilgevallen, maar het is wel erg leuk. De kaartjes geven het gesprek een andere wending.

‘Wat zou u toveren, als u toveren kon?’ lees ik voor. Ik kijk naar de mevrouw naast mij. Ze vertelde me zojuist dat ze een longcapaciteit heeft van minder dan vijftig procent. Ik denk dus gelijk te weten wat zij toveren zou: gezonde longen. Maar, nee… De mevrouw moet vrij lang nadenken over de vraag. ‘Nou…’, zegt ze tenslotte: ‘eigenlijk heb ik alles wat mijn hartje begeert. Ik zou niet weten wat ik toveren moest.’ Ik val stil van verbazing. ‘Maar… die longen dan?’ vraag ik. ‘Zou u geen nieuwe longen toveren?‘

‘Ach kind, nee. Die longen horen bij mij. Nee hoor, ’t is goed zo…’ En ze kijkt er oprecht tevreden bij. Ik voel zowel verbazing als milde schaamte. Vraag mij wat ik toverde als ik kon, en ik noemde een hele waslijst. Een nieuwe fiets, zo’n leuke met een grote mand voorop. Een betaalde baan als schrijver. Een kunstwerk voor boven de bank, een rijbewijs en waarschijnlijk ook een buikwandcorrectie. Maar deze mevrouw die écht wat te wensen heeft, zou niets toveren als ze toveren kon. Ik ben er een beetje stil van.

Er zitten nog meer leuke vragen tussen. De kaartjes brengen het gesprek van droomhuizen op onderduiken in de oorlog en van complimenten krijgen op flirten tijdens het huwelijk. En mijn gevoel deint op de golven van het gesprek mee. Ik voel me ontroerd, verbaasd, vermaakt en vertederd.

De tijd vliegt. Eerder dan ik zou willen, fiets ik naar huis. Ik betrap mezelf op een brede, aanhoudende glimlach. Ik voel me rijk. Rijk, omdat deze mensen hun verhalen met mij wilden delen. Verhalen die te mooi zijn om niet te worden gehoord.

Zonde dat in Veenendaal zoveel mensen zich eenzaam voelen. Het is niet nodig. Omzien naar elkaar kost niks. Alleen een beetje tijd. En het levert waarschijnlijk meer op dan je vermoeden zou. Een rijke schat aan wijsheid.

De dames achter Goed voor Elkaar hebben dat begrepen. Mooi! Van delen word je rijk.