Vluchten

Ergens in het Midden-Oosten maakt een jonge vent midden in de nacht zijn vriendin wakker. Ze moeten zo snel mogelijk weg. Het is hier veel te gevaarlijk. Het meisje rolt haar zoon in een draagdoek en drukt zijn hoofdje tegen zich aan. Het regelmatige geluid van haar hartslag stelt het kereltje gerust. Ze vertrekken richting het westen. Op de vlucht. Niet in een rubberboot, maar op een ezeltje. Ze zijn bang. Niet voor de gruweldaden van extremisten die zich ‘moslim’ noemen, maar voor koning Herodes die zijn troon voelt wankelen.

Kort na het jaar nul vinden in Bethlehem veel Joodse jongetjes door Herodes’ machtswellust de dood. Dat is hartverscheurend. Jezus ontsnapt op wonderlijke wijze aan de dood. Hij is waarschijnlijk nog geen twee jaar oud wanneer Hij met zijn ouders als vluchteling aankomt in Egypte. Ver van huis, maar voorlopig veilig.

Later zegt Jezus: ‘Ik was een vreemdeling, een vluchteling, en jij gaf mij onderdak. Wat je voor de minste van mijn broeders en zusters doet, dat doe je voor Mij.’

Als wij vandaag te maken hebben met vluchtelingen, houden we die woorden in ons achterhoofd. Dan voelen we vanzelf wat goed is, wat wijs is. God zegene de helpende handen die worden uitgestoken naar wie moest vluchten voor extreem geweld. Vandaag, net als toen, kort na dat jaar nul in Egypte.

 

Verschenen in Reveil, dec. 2017/jan. 2018, kersteditie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *