Jeruzalem

Met mijn mond open van verbazing en mijn wangen rood van plaatsvervangende schaamte hoorde ik christenen luid applaudisseren toen Trump Jeruzalem tot hoofdstad van Israël verklaarde.  Ik schrok serieus van zoveel naïviteit. Applaus voor het bruut verstoren van een wankel evenwicht. Trump, die een belangrijke rol kan spelen in het vredesproces, koos er met zijn uitspraak voor de boel op scherp te stellen. Ik begrijp dat niet.

God volvoert zijn plan met Israël, zijn oogappel. Ik heb niet de illusie dat ik weet hoe dat plan eruit ziet. Of God zit te wachten op mijn applaus om wat ik uitleg als teken van uitvoer van zijn heilsplan? Ik betwijfel het. Ik zou niet weten waarvoor ik klapte. Wat ik wél weet, is dat zijn heerschappij allesomvattend is. Gods hoe, wat, waarom en wanneer is voor mij niet te doorgronden. Ik wil God niet kleiner maken dan Hij is, door te proberen Hem in mijn beperkte brein te proppen.

Misschien past het mij de kant te kiezen van de grote groep die in Jeruzalem probeert de vrede te bewaren. Levend tussen uitersten. De Palestijnse en de Joodse vrouw die hun kinderen zien opgroeien in onrust. De Joodse man die, net als zijn Palestijnse buurman, met angst en beven afwacht wat de uitspraak van Trump in hun leefomgeving teweegbrengt. Die kwetsbare middenmoot ondervindt de gevolgen aan den lijve. Trump niet. Ik niet.

Ik hou het nieuws in de gaten en bid dat er binnenkort echt iets te vieren valt in Jeruzalem. Dat het een stad wordt waar mensen in vrede samenleven. Een stad waar liefde woont. Saamhorigheid en rust. Een stad met toekomst.

Je hoort mij niet applaudisseren. Tenminste, niet om Trump. Niet om de chaos in Israël. Niet nu.

God zegene Jeruzalem.

 

Foto: Debbi Cooper’s iconic – and genuine – 1988 photo of Israeli and Palestinian boys embracing

Stofzuiger

Voor wie een zespersoons huishouden runt, is een goeie stofzuiger onmisbaar. Toen de mijne begin dit jaar de geest gaf, kochten we vlug een nieuwe. Te vlug, bleek achteraf. Het werd een goedkope, want wij geven liever geld uit aan andere dingen dan huishoudelijke apparaten. Trouwens, als ik een werkkast vol hoogstaande hulpmiddelen had, wie of wat moest ik dan beschuldigen van de belabberde resultaten die ik boek op huishoudelijk vlak?

De goedkope stofzuiger en ik leefden op voet van oorlog. Het snoer was te kort en de zuigkracht weinig indrukwekkend. Toen ik onlangs een verdwaalde pepernoot wilde opzuigen, kon de stofzuiger dat niet aan. Belachelijk. ‘Misschien zit de zak alweer vol,’ mopperde ik. Omdat de lege zakken op waren, peuterde ik boven de grijze kliko de oude zak leeg. Buiten. In de regen. Stofhappend en hoestend. Vanaf dat moment liep het conflict tussen de stofzuiger mij volledig uit de hand. Ik schreeuwde lelijke verwensingen en smeet het verstopte mondstuk woedend door de kamer. Ik was niet trots op mezelf.

Zonder op prijskaartjes te letten, zocht ik bij een electronicazaak in de Corridor een nieuwe stofzuiger uit. ‘Ik koop niks waarvan ik de zuigkracht niet hoogstpersoonlijk heb gevoeld,’ zei ik dreigend tegen de verkoopster, ‘En ik wil iets zonder zak.’ Ze wist instinctief dat het menens was en hielp me met engelengeduld. Ik keerde huiswaarts met een veel te dure stofzuiger.

Thuis haalde ik mijn stofzakloze hulpje uit de doos. Een beetje onwennig en wantrouwend nog. Maar geloof het of niet, we gingen samen als een witte tornado door de woonkamer. Het extra lange snoer, de niet aflatende zuigkracht en het hele arsenaal aan handige hulpstukken stemden mij oprecht vrolijk. Ik voelde me een gelukkige, degelijke huisvrouw. Mijn nieuwe stofzuiger en ik worden vrienden. Ik voel ‘t.

Om te voorkomen dat ie nu de hele tijd naar me lonkt, zet ik ‘m een beetje uit het zicht. Voor je ’t weet dans ik elke dag met mijn stofzuiger door het huis. Dat zou jammer zijn, want ik heb een naam hoog te houden. Ik noem mezelf met enige trost ‘de slechtste huisvrouw van Veenendaal’. Er zijn belangrijkere dingen in het leven dan stofzuigen. Contact met anderen, bijvoorbeeld. Familie, vrienden, buren of vreemden. Samen praten, eten, wandelen of een film kijken. Als je je hart en huis opent met een glimlach, voelt iedereen zich thuis. Of je huis nou opgeruimd en stofvrij is, of meestal niet, zoals bij mij.

Ontspan en geniet. Fijne dagen!

 

Verschenen als column in De Rijnpost, 20 december 2017

Vluchten

Ergens in het Midden-Oosten maakt een jonge vent midden in de nacht zijn vriendin wakker. Ze moeten zo snel mogelijk weg. Het is hier veel te gevaarlijk. Het meisje rolt haar zoon in een draagdoek en drukt zijn hoofdje tegen zich aan. Het regelmatige geluid van haar hartslag stelt het kereltje gerust. Ze vertrekken richting het westen. Op de vlucht. Niet in een rubberboot, maar op een ezeltje. Ze zijn bang. Niet voor de gruweldaden van extremisten die zich ‘moslim’ noemen, maar voor koning Herodes die zijn troon voelt wankelen.

Kort na het jaar nul vinden in Bethlehem veel Joodse jongetjes door Herodes’ machtswellust de dood. Dat is hartverscheurend. Jezus ontsnapt op wonderlijke wijze aan de dood. Hij is waarschijnlijk nog geen twee jaar oud wanneer Hij met zijn ouders als vluchteling aankomt in Egypte. Ver van huis, maar voorlopig veilig.

Later zegt Jezus: ‘Ik was een vreemdeling, een vluchteling, en jij gaf mij onderdak. Wat je voor de minste van mijn broeders en zusters doet, dat doe je voor Mij.’

Als wij vandaag te maken hebben met vluchtelingen, houden we die woorden in ons achterhoofd. Dan voelen we vanzelf wat goed is, wat wijs is. God zegene de helpende handen die worden uitgestoken naar wie moest vluchten voor extreem geweld. Vandaag, net als toen, kort na dat jaar nul in Egypte.

 

Verschenen in Reveil, dec. 2017/jan. 2018, kersteditie

Vooroordelen

Het is vrijdagmiddag. De telefoon gaat. ‘Hallo, met Lilian,’ neem ik op. Aan de andere kant van de lijn noemt een vrouw haar naam en ze vertelt hoe ze aan mijn nummer is gekomen. ‘Want u bent die columnist van De Rijnpost, hè?’ besluit ze. ‘Ik schrijf inderdaad weleens een stukkie,’ reageer ik gevleid. ‘Dan heb ik de goeie,’ zegt de vrouw. ‘Moet u horen…’

De vrouw is verontwaardigd en ze praat snel. Ze hoopt dat ik haar kan helpen delen wat zij voelt en bedoelt. Ze vertelt over een man die ze laatst op een verjaardag ontmoette. Een man die het de hele avond zonder enige nuance had over ‘die zwarten’. Hij discrimineerde er tijdens de koffie met gebak lustig op los. Iedereen met een andere huidskleur dan hijzelf, werd door de man over één kam geschoren. Niks dan vooroordelen en hokjesdenken. ‘Mooie wereld wordt ’t als we iedereen die anders is dan wij zo benaderen. Tsss… Ik vond het zó frustrerend!’ zegt ze. ‘Het liefst was ik weggelopen. En mijn man zei achteraf: Had ’t toch gewoon gedaan! Was gegaan!’

Maar ja, je loopt niet weg bij een verjaardag terwijl de kaas en worst nog op tafel moet komen. Goed fatsoen weerhoudt ons ervan primair te reageren op wat we voelen. Vaak handig, maar soms jammer. De vrouw was gebleven. Ze had de man nog aangesproken op zijn kortzichtigheid. Knap! Mooi dat ze zich zo hartstochtelijk opwindt over onrecht.

Eigenlijk zouden we allemaal veel vaker moeten opstaan voor waar we in geloven. De kant kiezen van wie zich niet verweren kan. Gewoon weglopen van wat ons niet zint. Negativiteit de rug toekeren.

Aan het einde van ons telefoongesprek ontdekten we dat we vlakbij elkaar wonen, de vrouw en ik. Ik tikte dit stukje, belde bij haar aan, las het voor en vroeg: ‘Mag het zo in de krant?’ ‘Ja,’ zei ze tevreden. En we namen afscheid met drie zoenen.

Vrouwtje

 

Het is maandagmorgen. Ik zit voor dag en dauw aan een bak yoghurt als de bel gaat. Een van mijn dochters opent de deur, in de verwachting dat het een vriendinnetje is dat samen naar school wil lopen. Maar dat is niet zo. Vanuit de gang klinkt: ‘Mam! Het is voor jou!’

In mijn pyjamabroek en met mijn haren door de war loop ik naar de voordeur. Op de stoep staat een oudere man met een pet, zijn handen vol appels. Hij zegt: ‘Ook goeiemorgen. Ik verkoop onbespoten fruit. Een euro per kilo.’

Ik moet even omschakelen van mijn yoghurt naar onbespoten Elstars. Ik verdiep me zelden in de kiloprijs van biologisch fruit, maar ‘een euro’ klinkt niet duur. Ik bekijk zwijgend en twijfelend de glimmende appel die de man in mijn hand duwt.

Tijd voor zijn volgende zet. ‘Vrouwtje, echt waar, in de schuur blijven ze wel drie maanden goed.’ Zijn ‘vrouwtje’ werkt en dat merkt hij. Ik ben weerloos als mannen met ribfluwelen petten mij ‘vrouwtje’ noemen. ‘Een euro per kilo?’ herhaal ik. ‘Ja,’ zegt de man, ‘een hele kist voor twaalf euro. Dan heb je dertig appels.’

Het wordt inmiddels een aardige rekensom. Ik moet snel vermenigvuldigen en optellen. En dat lukt me niet. Van nature ben ik ontzettend slecht in rekenen. ‘Eigenlijk vind ik vijf kilo wel genoeg,’ verweer ik me. ‘Dakannie, wijffie. Ze gaan alleen per kist. Als ze binnen drie maanden rot zijn, krijg je nieuwe van me.’

De fruitventer noemde mij ‘vrouwtje’ en ‘wijffie’.  Sommige dames zullen niet gediend zijn van die neerbuigende benadering, maar ik, weekhartige, ben om. Ik vraag de man binnen en ga op zoek naar twaalf euro. Als ik hem zijn geld geef, zegt hij: ‘Mooi. Ik stuur die ouwe effe met een kist jouw kant op.’ ‘Die ouwe?’ vraag ik. ‘Ja, die ouwe wil altijd mee. Vindt ie leuk.’

Een klein kereltje komt aanlopen met een kist die voor zijn leeftijd veel te zwaar is. Ik kijk de ouwe in zijn olijke oogjes en neem de appels aan. We wisselen een blik van verstandhouding. Die ouwe en dit vrouwtje begrijpen elkaar. Beiden niet opgewassen tegen de fruitventer. Allebei even weerloos, maar te verstandig om daarmee te zitten. Alles is relatief.

Ik knoop een schort voor en duik de keuken in.

Appeltaart, anyone…?